Vlees - Deel 2: Wat is rein vlees volgens de Bijbel?

Als je, als christen, ervoor kiest om vlees te eten, welke dieren zijn dan geschikt voor consumptie? Wat is rein vlees volgens de Bijbel? Met gratis download.

Steeds meer mensen stappen over op een vegetarische of volledig plantaardige voeding.

Anderen houden erg van hun stukje vlees.

Wat leert de Bijbel ons over het eten van vlees? Zijn alle soorten vlees goed om te eten? Of mogen we alleen het vlees van reine dieren eten? Waarom zou je als christen ervoor kiezen om geen vlees meer te eten?

In het eerste deel van deze serie konden we aan de hand van Bijbelteksten concluderen dat het verbod op het eten van onreine dieren nog steeds geldt. De hele blog kan je hier lezen.

Deze keer bespreek ik welk vlees er wel gegeten kan worden, als je daarvoor kiest.

Wat is rein vlees volgens de Bijbel

In 📖 Leviticus 11 HSV1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron en zei tegen hen: 2Spreek tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren die u eten mag van alle dieren die op de aarde zijn. 3Alle dieren met gespleten hoeven, waarvan de hoef in tweeën gespleten is en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, die mag u eten. 4Maar deze dieren mag u niet eten, van die die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 5de klipdas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 6de haas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 7het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven; de hoef is in tweeën gespleten, maar het herkauwt het gekauwde niet; dat is voor u onrein. 8Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein. 9Dit mag u eten van al wat in het water leeft: alles wat in het water, in de zeeën en in de beken vinnen en schubben heeft, dat mag u eten, 10maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. 11Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. 12Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks. 13En van deze vogel soorten moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier, 14de buizerd, elke soort kiekendief, 15elke soort raaf, 16de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 17de steenuil, de visarend, de ransuil, 18de kerkuil, de kraai, de aasgier, 19de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 20Alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan, zijn voor u iets afschuwelijks. 21Maar deze mag u wel eten van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen. 22Daarvan mag u de 23Maar alle gevleugelde insecten die vier poten hebben, zijn voor u iets afschuwelijks. 24Door deze dieren verontreinigt u uzelf. Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. 25En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. 26Alle dieren die een gespleten hoef hebben, maar waarvan de hoeven niet geheel gespleten zijn en die niet herkauwen, zijn voor u onrein. Al wie ze aanraakt, is onrein. 27Ook zijn alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, voor u onrein. Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. 28En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein. 29Van de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, zijn deze voor u onrein: de mol, de muis, elke soort pad, 30de gekko, de varaan, de hagedis, de skink en de kameleon. 31Onder al de kruipende dieren zijn die onrein voor u. Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond. 32Verder is alles waarop iets van die dieren valt als ze dood zijn, onrein: elk houten voorwerp, of een kledingstuk, of een huid, of een zak – elk voorwerp waarmee werk verricht wordt. Het moet in water worden gelegd, en is onrein tot de avond. Dan zal het rein zijn. 33En elke aarden pot, waarin iets van deze dieren valt, en alles wat erin zit, is dan onrein. U moet hem stukbreken. 34Welk voedsel dan ook dat wordt gegeten, waarop water uit zo'n pot komt, is onrein; en elke drank die gedronken mag worden, in zo'n kruik, welke ook, is onrein. 35En alles waarop iets van hun kadaver valt, is onrein; de oven en de bakpan moeten stukgebroken worden. Ze zijn onrein, daarom moeten ze voor u onrein zijn. 36Een bron of put waarin water verzameld wordt, zal echter rein blijven. Maar wie hun kadaver aanraakt, is onrein. 37En wanneer iets van hun kadaver valt op welk zaaigoed dan ook dat gezaaid wordt, dan blijft dat rein. 38Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein. 39En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. 40Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond. 41Verder moeten alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, iets afschuwelijks zijn. Ze mogen niet gegeten worden. 42Alles wat zich op de buik voortbeweegt, en alles wat op vier poten gaat, tot alles wat vele poten heeft, van alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, mag u niet eten, want ze zijn iets afschuwelijks. 43U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt, 44want Ik ben de HEERE, uw God. U moet zich heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. 45Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig. 46Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, 47om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag. en 📖 Deuteronomium 14 HSV1U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag uw lichaam vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen. 2Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is. 3U mag niets eten wat een gruwel is. 4Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit, 5het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems. 6Alle dieren die gespleten hoeven hebben, waarvan de hoef in tweeën gespleten is, en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, mag u eten. 7Maar de alleen herkauwen, of die alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Zij herkauwen immers wel, maar hebben geen gespleten hoeven; zij zijn voor u onrein. 8Zo ook het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers mag u niet aanraken. 9Dit mag u eten van alles wat in het water leeft: alles wat vinnen en schubben heeft, mag u eten. 10Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mag u niet eten; het is voor u onrein. 11Alle reine vogels mag u eten. 12Maar dit zijn de vogels waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier, 13de buizerd, de kiekendief, en elke soort wouw, 14elke soort raaf, 15de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 16de steenuil, de ransuil, de kerkuil, 17de kraai, de aasgier, de visarend, 18de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 19Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden. 20Alle reine gevleugelde dieren mag u eten. 21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 22Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven. 23Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen. 24Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, 25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. 26Daar moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin. 27Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u. 28Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten. 29Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.staat duidelijk uitgelegd welke dieren rein en welke dieren onrein zijn. Maar we kunnen aannemen dat dit onderscheid al veel eerder bij de mensen bekend was. De eerste aanwijzing hiervoor in 📖 Genesis 4:4 HSV4Ook Abel bracht een offer, van de eerstgeborenen van zijn kleinvee en van hun vet. De HEERE nu sloeg acht op Abel en op zijn offer, waar Abel een offer brengt, welke God aanneemt. De weinige woorden die het offer beschrijven zijn in overeenstemming met de wetten voor de offers die in Leviticus worden gegeven.

Noach wist welke dieren rein, dan wel onrein, zijn. God geeft in 📖 Genesis 7 HSV1Daarna zei de HEERE tegen Noach: Ga in de ark, u en heel uw gezin, want Ik heb gezien dat u te midden van uw tijdgenoten voor Mijn aangezicht rechtvaardig bent. 2U moet voor uzelf van alle reine dieren zeven paar nemen, een mannetje en zijn vrouwtje; maar van de dieren die niet rein zijn, één paar, een mannetje en zijn vrouwtje; 3ook van de vogels in de lucht zeven paar, mannelijk en vrouwelijk, om de soort op heel de aarde in leven te houden. 4Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten laten regenen; en Ik zal al wat bestaat, wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen. 5En Noach deed overeenkomstig alles wat de HEERE hem geboden had. 6Noach was zeshonderd jaar oud toen de watervloed over de aarde kwam. 7Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem in de ark, vanwege het water van de vloed. 8Van de reine dieren, van de dieren die niet rein waren, van de vogels en van alles wat over de aardbodem kruipt, 9kwamen er twee aan twee naar Noach in de ark, mannelijk en vrouwelijk, zoals God aan Noach geboden had. 10En het gebeurde na die zeven dagen dat het water van de vloed over de aarde kwam. 11In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet. 12En er was regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. 13Op diezelfde dag gingen Noach en Sem, Cham en Jafeth, de zonen van Noach, en ook Noachs vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen met hen in de ark, 14zij, en al de wilde dieren naar hun soort, al het vee naar zijn soort, alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, naar hun soort, en alle vogels naar hun soort, al wat gevleugeld is. 15En van alle vlees waar een levensgeest in was, kwamen ze naar Noach in de ark, twee aan twee. 16En die kwamen, kwamen als mannelijk en vrouwelijk, van alle vlees, zoals God hem geboden had. En de HEERE sloot de deur achter hem toe. 17En de vloed was veertig dagen op de aarde, en het water nam toe en hief de ark omhoog, zodat hij van de aarde oprees. 18En het water steeg en nam sterk toe op de aarde; en de ark dreef op het water. 19Het water steeg meer en meer op de aarde, zodat alle hoge bergen die onder heel de hemel zijn, bedekt werden. 20Nog vijftien el daarboven steeg het water, en de bergen werden bedekt. 21En alle vlees dat zich op de aarde bewoog, gaf de geest: de vogels, het vee, de wilde dieren en alle kruipende dieren, die over de aarde kropen, en alle mensen. 22Alles met levensadem in zijn neusgaten van alles wat op het droge leefde, stierf. 23Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, van mens tot dier, tot kruipende dieren en vogels in de lucht; verdelgd werden zij van de aarde. Alleen Noach bleef over, en wat met hem in de ark was. 24En het water had honderdvijftig dagen lang de overhand op de aarde. aan Noach de opdracht om van alle onreine dieren één paar en van alle reine dieren zeven paar mee te nemen in de ark.

📖 Genesis 7:2,5 HSV2U moet voor uzelf van alle reine dieren zeven paar nemen, een mannetje en zijn vrouwtje; maar van de dieren die niet rein zijn, één paar, een mannetje en zijn vrouwtje; 5En Noach deed overeenkomstig alles wat de HEERE hem geboden had.Na de zondvloed bracht Noach brandoffers. Hij gebruikte hiervoor reine dieren. 📖 Genesis 8:20 HSV20En Noach bouwde een altaar voor de HEERE; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.In het volgende hoofdstuk van de Bijbel zegt God: 📖 Genesis 9:2-3 HSV2Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven. 3Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.Hier geeft God ons twee dingen: de verantwoording om goed met de dieren om te gaan en we krijgen toestemming om hen als voedsel te gebruiken.

Zegt deze tekst dat we alle soorten vlees kunnen eten? Nee, ook dit Bijbelgedeelte moeten we in context lezen en in lijn met de rest van de Bijbel. We eten niet alle soorten planten. Denk bijvoorbeeld aan gras, dit is voor het vee.📖 Psalm 104:14 HSV14Hij doet het gras groeien voor de dieren, het gewas ten dienste van de mens. Hij brengt voedsel uit de aarde voort: Zo eten we ook niet alle soorten vlees.

Rein en onrein vlees in de Bijbel

Ter verduidelijking lezen we in 📖 Leviticus 11 HSV1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron en zei tegen hen: 2Spreek tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren die u eten mag van alle dieren die op de aarde zijn. 3Alle dieren met gespleten hoeven, waarvan de hoef in tweeën gespleten is en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, die mag u eten. 4Maar deze dieren mag u niet eten, van die die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 5de klipdas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 6de haas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 7het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven; de hoef is in tweeën gespleten, maar het herkauwt het gekauwde niet; dat is voor u onrein. 8Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein. 9Dit mag u eten van al wat in het water leeft: alles wat in het water, in de zeeën en in de beken vinnen en schubben heeft, dat mag u eten, 10maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. 11Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. 12Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks. 13En van deze vogel soorten moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier, 14de buizerd, elke soort kiekendief, 15elke soort raaf, 16de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 17de steenuil, de visarend, de ransuil, 18de kerkuil, de kraai, de aasgier, 19de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 20Alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan, zijn voor u iets afschuwelijks. 21Maar deze mag u wel eten van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen. 22Daarvan mag u de 23Maar alle gevleugelde insecten die vier poten hebben, zijn voor u iets afschuwelijks. 24Door deze dieren verontreinigt u uzelf. Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. 25En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. 26Alle dieren die een gespleten hoef hebben, maar waarvan de hoeven niet geheel gespleten zijn en die niet herkauwen, zijn voor u onrein. Al wie ze aanraakt, is onrein. 27Ook zijn alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, voor u onrein. Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. 28En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein. 29Van de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, zijn deze voor u onrein: de mol, de muis, elke soort pad, 30de gekko, de varaan, de hagedis, de skink en de kameleon. 31Onder al de kruipende dieren zijn die onrein voor u. Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond. 32Verder is alles waarop iets van die dieren valt als ze dood zijn, onrein: elk houten voorwerp, of een kledingstuk, of een huid, of een zak – elk voorwerp waarmee werk verricht wordt. Het moet in water worden gelegd, en is onrein tot de avond. Dan zal het rein zijn. 33En elke aarden pot, waarin iets van deze dieren valt, en alles wat erin zit, is dan onrein. U moet hem stukbreken. 34Welk voedsel dan ook dat wordt gegeten, waarop water uit zo'n pot komt, is onrein; en elke drank die gedronken mag worden, in zo'n kruik, welke ook, is onrein. 35En alles waarop iets van hun kadaver valt, is onrein; de oven en de bakpan moeten stukgebroken worden. Ze zijn onrein, daarom moeten ze voor u onrein zijn. 36Een bron of put waarin water verzameld wordt, zal echter rein blijven. Maar wie hun kadaver aanraakt, is onrein. 37En wanneer iets van hun kadaver valt op welk zaaigoed dan ook dat gezaaid wordt, dan blijft dat rein. 38Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein. 39En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. 40Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond. 41Verder moeten alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, iets afschuwelijks zijn. Ze mogen niet gegeten worden. 42Alles wat zich op de buik voortbeweegt, en alles wat op vier poten gaat, tot alles wat vele poten heeft, van alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, mag u niet eten, want ze zijn iets afschuwelijks. 43U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt, 44want Ik ben de HEERE, uw God. U moet zich heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. 45Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig. 46Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, 47om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag. en 📖 Deuteronomium 14 HSV1U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag uw lichaam vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen. 2Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is. 3U mag niets eten wat een gruwel is. 4Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit, 5het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems. 6Alle dieren die gespleten hoeven hebben, waarvan de hoef in tweeën gespleten is, en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, mag u eten. 7Maar de alleen herkauwen, of die alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Zij herkauwen immers wel, maar hebben geen gespleten hoeven; zij zijn voor u onrein. 8Zo ook het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers mag u niet aanraken. 9Dit mag u eten van alles wat in het water leeft: alles wat vinnen en schubben heeft, mag u eten. 10Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mag u niet eten; het is voor u onrein. 11Alle reine vogels mag u eten. 12Maar dit zijn de vogels waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier, 13de buizerd, de kiekendief, en elke soort wouw, 14elke soort raaf, 15de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 16de steenuil, de ransuil, de kerkuil, 17de kraai, de aasgier, de visarend, 18de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 19Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden. 20Alle reine gevleugelde dieren mag u eten. 21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 22Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven. 23Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen. 24Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, 25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. 26Daar moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin. 27Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u. 28Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten. 29Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet. gegevens over dieren die we mogen eten, als we dat willen. Omwille van de lengte van dit artikel voeg ik de teksten van deze hoofdstukken niet hier toe. Ik raad je van harte aan deze Bijbelgedeeltes door te lezen. Kik hiervoor op de link.

Reine dieren zijn:

  • Zoogdieren die op het land leven, gespleten hoeven hebben en herkauwen

  • Waterdieren (vissen) die schubben en kieuwen hebben

  • Sommige vogels

  • Bepaalde soorten sprinkhanen en krekels

Onreine dieren zijn:

  • Zoogdieren die geen gespleten hoeven hebben en herkauwen,

  • Reptielen

  • Amfibieën

  • Schaal- en schelpdieren

  • Andere dieren die in het water leven en vissen die geen schubben en kieuwen hebben

  • Roofvogels en andere vogels die gewervelde dieren eten

  • Vrijwel alle insecten

Voor een meer specifieke lijst van reine en onreine dieren verwijs ik graag naar mijn gratis download. In de download vindt je een overzicht met reine en onreine dieren volgens de aanwijzingen in de Bijbel die te vinden zijn in 📖 Leviticus 11 HSV1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron en zei tegen hen: 2Spreek tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren die u eten mag van alle dieren die op de aarde zijn. 3Alle dieren met gespleten hoeven, waarvan de hoef in tweeën gespleten is en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, die mag u eten. 4Maar deze dieren mag u niet eten, van die die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 5de klipdas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 6de haas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 7het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven; de hoef is in tweeën gespleten, maar het herkauwt het gekauwde niet; dat is voor u onrein. 8Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein. 9Dit mag u eten van al wat in het water leeft: alles wat in het water, in de zeeën en in de beken vinnen en schubben heeft, dat mag u eten, 10maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. 11Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. 12Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks. 13En van deze vogel soorten moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier, 14de buizerd, elke soort kiekendief, 15elke soort raaf, 16de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 17de steenuil, de visarend, de ransuil, 18de kerkuil, de kraai, de aasgier, 19de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 20Alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan, zijn voor u iets afschuwelijks. 21Maar deze mag u wel eten van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen. 22Daarvan mag u de 23Maar alle gevleugelde insecten die vier poten hebben, zijn voor u iets afschuwelijks. 24Door deze dieren verontreinigt u uzelf. Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. 25En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. 26Alle dieren die een gespleten hoef hebben, maar waarvan de hoeven niet geheel gespleten zijn en die niet herkauwen, zijn voor u onrein. Al wie ze aanraakt, is onrein. 27Ook zijn alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, voor u onrein. Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. 28En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein. 29Van de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, zijn deze voor u onrein: de mol, de muis, elke soort pad, 30de gekko, de varaan, de hagedis, de skink en de kameleon. 31Onder al de kruipende dieren zijn die onrein voor u. Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond. 32Verder is alles waarop iets van die dieren valt als ze dood zijn, onrein: elk houten voorwerp, of een kledingstuk, of een huid, of een zak – elk voorwerp waarmee werk verricht wordt. Het moet in water worden gelegd, en is onrein tot de avond. Dan zal het rein zijn. 33En elke aarden pot, waarin iets van deze dieren valt, en alles wat erin zit, is dan onrein. U moet hem stukbreken. 34Welk voedsel dan ook dat wordt gegeten, waarop water uit zo'n pot komt, is onrein; en elke drank die gedronken mag worden, in zo'n kruik, welke ook, is onrein. 35En alles waarop iets van hun kadaver valt, is onrein; de oven en de bakpan moeten stukgebroken worden. Ze zijn onrein, daarom moeten ze voor u onrein zijn. 36Een bron of put waarin water verzameld wordt, zal echter rein blijven. Maar wie hun kadaver aanraakt, is onrein. 37En wanneer iets van hun kadaver valt op welk zaaigoed dan ook dat gezaaid wordt, dan blijft dat rein. 38Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein. 39En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. 40Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond. 41Verder moeten alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, iets afschuwelijks zijn. Ze mogen niet gegeten worden. 42Alles wat zich op de buik voortbeweegt, en alles wat op vier poten gaat, tot alles wat vele poten heeft, van alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, mag u niet eten, want ze zijn iets afschuwelijks. 43U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt, 44want Ik ben de HEERE, uw God. U moet zich heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. 45Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig. 46Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, 47om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag. en 📖 Deuteronomium 14 HSV1U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag uw lichaam vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen. 2Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is. 3U mag niets eten wat een gruwel is. 4Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit, 5het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems. 6Alle dieren die gespleten hoeven hebben, waarvan de hoef in tweeën gespleten is, en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, mag u eten. 7Maar de alleen herkauwen, of die alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Zij herkauwen immers wel, maar hebben geen gespleten hoeven; zij zijn voor u onrein. 8Zo ook het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers mag u niet aanraken. 9Dit mag u eten van alles wat in het water leeft: alles wat vinnen en schubben heeft, mag u eten. 10Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mag u niet eten; het is voor u onrein. 11Alle reine vogels mag u eten. 12Maar dit zijn de vogels waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier, 13de buizerd, de kiekendief, en elke soort wouw, 14elke soort raaf, 15de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 16de steenuil, de ransuil, de kerkuil, 17de kraai, de aasgier, de visarend, 18de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 19Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden. 20Alle reine gevleugelde dieren mag u eten. 21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 22Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven. 23Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen. 24Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, 25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. 26Daar moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin. 27Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u. 28Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten. 29Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.. Klik hier om naar de download pagina te gaan.

📖 Leviticus 11 HSV1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron en zei tegen hen: 2Spreek tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren die u eten mag van alle dieren die op de aarde zijn. 3Alle dieren met gespleten hoeven, waarvan de hoef in tweeën gespleten is en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, die mag u eten. 4Maar deze dieren mag u niet eten, van die die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 5de klipdas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 6de haas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 7het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven; de hoef is in tweeën gespleten, maar het herkauwt het gekauwde niet; dat is voor u onrein. 8Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein. 9Dit mag u eten van al wat in het water leeft: alles wat in het water, in de zeeën en in de beken vinnen en schubben heeft, dat mag u eten, 10maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. 11Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. 12Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks. 13En van deze vogel soorten moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier, 14de buizerd, elke soort kiekendief, 15elke soort raaf, 16de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 17de steenuil, de visarend, de ransuil, 18de kerkuil, de kraai, de aasgier, 19de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 20Alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan, zijn voor u iets afschuwelijks. 21Maar deze mag u wel eten van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen. 22Daarvan mag u de 23Maar alle gevleugelde insecten die vier poten hebben, zijn voor u iets afschuwelijks. 24Door deze dieren verontreinigt u uzelf. Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. 25En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. 26Alle dieren die een gespleten hoef hebben, maar waarvan de hoeven niet geheel gespleten zijn en die niet herkauwen, zijn voor u onrein. Al wie ze aanraakt, is onrein. 27Ook zijn alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, voor u onrein. Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. 28En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein. 29Van de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, zijn deze voor u onrein: de mol, de muis, elke soort pad, 30de gekko, de varaan, de hagedis, de skink en de kameleon. 31Onder al de kruipende dieren zijn die onrein voor u. Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond. 32Verder is alles waarop iets van die dieren valt als ze dood zijn, onrein: elk houten voorwerp, of een kledingstuk, of een huid, of een zak – elk voorwerp waarmee werk verricht wordt. Het moet in water worden gelegd, en is onrein tot de avond. Dan zal het rein zijn. 33En elke aarden pot, waarin iets van deze dieren valt, en alles wat erin zit, is dan onrein. U moet hem stukbreken. 34Welk voedsel dan ook dat wordt gegeten, waarop water uit zo'n pot komt, is onrein; en elke drank die gedronken mag worden, in zo'n kruik, welke ook, is onrein. 35En alles waarop iets van hun kadaver valt, is onrein; de oven en de bakpan moeten stukgebroken worden. Ze zijn onrein, daarom moeten ze voor u onrein zijn. 36Een bron of put waarin water verzameld wordt, zal echter rein blijven. Maar wie hun kadaver aanraakt, is onrein. 37En wanneer iets van hun kadaver valt op welk zaaigoed dan ook dat gezaaid wordt, dan blijft dat rein. 38Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein. 39En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. 40Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond. 41Verder moeten alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, iets afschuwelijks zijn. Ze mogen niet gegeten worden. 42Alles wat zich op de buik voortbeweegt, en alles wat op vier poten gaat, tot alles wat vele poten heeft, van alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, mag u niet eten, want ze zijn iets afschuwelijks. 43U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt, 44want Ik ben de HEERE, uw God. U moet zich heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. 45Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig. 46Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, 47om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag. en de hoofdstukken die erop volgen, gaan over gezondheid en hygiëne. Gezondheid en zuiverheid bepaalt in belangrijke mate of een dier geschikt is om te eten of niet. Wat een dier eet en hoe hij zijn afvalstoffen uitscheidt is daarvoor en indicatie.

Voeding van planteneters komt uit de onderste laag van de voedselketen, is minder “vervuild” en is meer in lijn met de voedingsvoorschriften uit de eerste hoofdstukken van Genesis.

Het voedsel van onreine dieren komt hoger uit de voedselpiramide en bevat (meestal) vlees. Denk bijvoorbeeld aan aaseters, zoals hyena’s en gieren. Het bekendste onreine dier wat vaak voor vlees gebruikt wordt, is het varken. Dit is een alleseter, die gevoelig is voor diverse ziekten en parasieten. Een ander voorbeeld zijn mosselen. Doordat deze het water filteren, bevatten ze (meer) gifstoffen. Tenslotte nog een groep dieren onrein, omdat ze hun eigen uitwerpselen opeten. Knaagdieren zijn hier een voorbeeld van. Zij doen dit, omdat het nodig is voor hun eigen gezondheid, maar het maakt ze ongeschikt voor menselijke consumptie.

Door onreine dieren te eten krijgt de eter deze onreinheid ook in zijn lichaam. Het kan ziekte veroorzaken.

Ook reine dieren kunnen onrein worden. We mogen ze namelijk niet meer eten als ze (uit zichzelf) dood zijn gegaan en dus niet in gezondheid geslacht zijn. Voordat je vlees eet, moet je weten dat het dier gezond was. Vergelijk dit ook met 📖 Deuteronomium 14:21 HSV21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.. Het eten van een dier dat gestorven is door ziekte of doordat het is aangevallen, mag je niet eten, omdat dat een risico op ziekte geeft.

Heiligheid

Waar in het Bijbelboek Leviticus de focus ligt op gezondheid en ligt in Deuteronomium de nadruk op hoe je God dient. Dit is een tweede argument om geen onreine dieren te eten. 📖 Deuteronomium 14:3 en 21 HSV3U mag niets eten wat een gruwel is. 21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.Ook Leviticus geeft dit aan: 📖 Leviticus 11:44 HSV44want Ik ben de HEERE, uw God. U moet zich heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen.God wil dat we heilig zijn, omdat Hij heilig is. Hij vraagt aan ons om ons leven in harmonie met Hem in te richten. De Heere heeft ons naar Zijn beeld geschapen. De zonde heeft dit beeld vertroebeld, maar wij kunnen keuzes maken om (met Zijn hulp) onze gedachten, woorden en daden in overeenstemming met Zijn wil te laten zijn. Hoe God wil dat we leven is geopenbaard is in de Bijbel. Een onderdeel daarvan is het laten staan van onrein vlees.

Tenslotte

God vraagt van ons dat als we kiezen om vlees te eten, we alleen reine dieren eten. Dit is van belang voor onze gezondheid en heiligheid.

In het derde en tevens laatste deel zal het gaan over de argumenten om als christen geen vlees of dierlijke voedingsmiddelen te eten.

Nogmaals: bij de gratis downloads vind je een overzicht van reine en onreine dieren. Dit document is gebaseerd op 📖 Leviticus 11 HSV1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron en zei tegen hen: 2Spreek tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren die u eten mag van alle dieren die op de aarde zijn. 3Alle dieren met gespleten hoeven, waarvan de hoef in tweeën gespleten is en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, die mag u eten. 4Maar deze dieren mag u niet eten, van die die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 5de klipdas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 6de haas, want die herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 7het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven; de hoef is in tweeën gespleten, maar het herkauwt het gekauwde niet; dat is voor u onrein. 8Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein. 9Dit mag u eten van al wat in het water leeft: alles wat in het water, in de zeeën en in de beken vinnen en schubben heeft, dat mag u eten, 10maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. 11Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. 12Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks. 13En van deze vogel soorten moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier, 14de buizerd, elke soort kiekendief, 15elke soort raaf, 16de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 17de steenuil, de visarend, de ransuil, 18de kerkuil, de kraai, de aasgier, 19de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 20Alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan, zijn voor u iets afschuwelijks. 21Maar deze mag u wel eten van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen. 22Daarvan mag u de 23Maar alle gevleugelde insecten die vier poten hebben, zijn voor u iets afschuwelijks. 24Door deze dieren verontreinigt u uzelf. Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. 25En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. 26Alle dieren die een gespleten hoef hebben, maar waarvan de hoeven niet geheel gespleten zijn en die niet herkauwen, zijn voor u onrein. Al wie ze aanraakt, is onrein. 27Ook zijn alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, voor u onrein. Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. 28En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein. 29Van de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, zijn deze voor u onrein: de mol, de muis, elke soort pad, 30de gekko, de varaan, de hagedis, de skink en de kameleon. 31Onder al de kruipende dieren zijn die onrein voor u. Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond. 32Verder is alles waarop iets van die dieren valt als ze dood zijn, onrein: elk houten voorwerp, of een kledingstuk, of een huid, of een zak – elk voorwerp waarmee werk verricht wordt. Het moet in water worden gelegd, en is onrein tot de avond. Dan zal het rein zijn. 33En elke aarden pot, waarin iets van deze dieren valt, en alles wat erin zit, is dan onrein. U moet hem stukbreken. 34Welk voedsel dan ook dat wordt gegeten, waarop water uit zo'n pot komt, is onrein; en elke drank die gedronken mag worden, in zo'n kruik, welke ook, is onrein. 35En alles waarop iets van hun kadaver valt, is onrein; de oven en de bakpan moeten stukgebroken worden. Ze zijn onrein, daarom moeten ze voor u onrein zijn. 36Een bron of put waarin water verzameld wordt, zal echter rein blijven. Maar wie hun kadaver aanraakt, is onrein. 37En wanneer iets van hun kadaver valt op welk zaaigoed dan ook dat gezaaid wordt, dan blijft dat rein. 38Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein. 39En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. 40Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond. 41Verder moeten alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, iets afschuwelijks zijn. Ze mogen niet gegeten worden. 42Alles wat zich op de buik voortbeweegt, en alles wat op vier poten gaat, tot alles wat vele poten heeft, van alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, mag u niet eten, want ze zijn iets afschuwelijks. 43U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt, 44want Ik ben de HEERE, uw God. U moet zich heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. 45Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig. 46Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, 47om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag. en 📖 Deuteronomium 14 HSV1U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag uw lichaam vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen. 2Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is. 3U mag niets eten wat een gruwel is. 4Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit, 5het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems. 6Alle dieren die gespleten hoeven hebben, waarvan de hoef in tweeën gespleten is, en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, mag u eten. 7Maar de alleen herkauwen, of die alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Zij herkauwen immers wel, maar hebben geen gespleten hoeven; zij zijn voor u onrein. 8Zo ook het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers mag u niet aanraken. 9Dit mag u eten van alles wat in het water leeft: alles wat vinnen en schubben heeft, mag u eten. 10Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mag u niet eten; het is voor u onrein. 11Alle reine vogels mag u eten. 12Maar dit zijn de vogels waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier, 13de buizerd, de kiekendief, en elke soort wouw, 14elke soort raaf, 15de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 16de steenuil, de ransuil, de kerkuil, 17de kraai, de aasgier, de visarend, 18de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 19Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden. 20Alle reine gevleugelde dieren mag u eten. 21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 22Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven. 23Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen. 24Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, 25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. 26Daar moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin. 27Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u. 28Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten. 29Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet..

Deel dit artikel:

Trefwoorden:

Veelgestelde vragen

Welke dieren zijn volgens de Bijbel rein om te eten?

Volgens Leviticus 11 en Deuteronomium 14 zijn reine landdieren dieren die zowel gespleten hoeven hebben als herkauwen. Van waterdieren mogen alleen vissen met vinnen en schubben gegeten worden. Daarnaast zijn bepaalde vogelsoorten en enkele soorten sprinkhanen en krekels als rein aangemerkt.

Welke dieren zijn volgens de Bijbel onrein?

De Bijbel noemt onder andere varkens, roofvogels, reptielen, amfibieën, schaal- en schelpdieren, vissen zonder vinnen en schubben en vrijwel alle insecten als onrein. Deze dieren worden niet als geschikt voedsel voor mensen beschouwd.

Waarom maakt de Bijbel onderscheid tussen reine en onreine dieren?

Het onderscheid heeft te maken met gezondheid en heiligheid. Veel onreine dieren zijn aaseters, alleseters of filteraars en kunnen daardoor meer ziekteverwekkers, parasieten of schadelijke stoffen bevatten. Daarnaast roept God Zijn volk op om heilig te leven en Zijn richtlijnen te volgen.

Mag je een rein dier eten dat uit zichzelf is gestorven?

Nee. Ook een rein dier mag niet gegeten worden wanneer het uit zichzelf is gestorven of door een ander dier is gedood. De Bijbel benadrukt dat een dier gezond moet zijn voordat het als voedsel wordt gebruikt.

Is het onderscheid tussen reine en onreine dieren bij Mozes ontstaan?

Nee. Al vóór de wetgeving op de Sinaï was dit onderscheid bekend. Noach kreeg de opdracht om meer reine dan onreine dieren mee te nemen in de ark en bracht na de zondvloed offers van reine dieren. Dit laat zien dat het onderscheid al veel eerder bestond.

Waarom zouden christenen alleen vlees van reine dieren eten?

Wie ervoor kiest vlees te eten, kan volgens de Bijbelse richtlijnen kiezen voor vlees van reine dieren. De Bijbel verbindt deze keuze met zowel gezondheid als heiligheid en roept gelovigen op hun leven in overeenstemming te brengen met Gods aanwijzingen.